Europa’s herwaardering van private equity: waarom het continent eindelijk terrein lijkt te winnen

Constance d%c3%81spremont
Constance d’Aspremont

Door Constance d’Aspremont, Investment Director, Top Tier Access

Amerikaanse private equity heeft het afgelopen decennium gedomineerd. Europese private equity daarentegen werd vaak beschouwd als het tragere, kleinere alternatief. Veel mensen zeggen dat Europa minder dynamisch is, minder technologisch geavanceerd en structureel benadeeld. Op het eerste gezicht lijken de cijfers dat beeld te bevestigen. Amerikaanse fondsen zijn groter. Amerikaanse multiples liggen hoger. Amerikaanse kapitaalmarkten zijn dieper en liquider. De opkomst van artificiële intelligentie heeft die kloof alleen maar verder vergroot.

Die argumenten zijn bekend. Maar ze zijn ook onvolledig. De krachten die vandaag de Europese private-equitymarkt hervormen, werken in twee richtingen tegelijk. De conclusie dat Europa permanent tweederangs zal blijven, steunt slechts op één van die richtingen.

De Amerikaanse premie is reëel — en structureel

De Amerikaanse premie bestaat om redenen die niet mysterieus zijn. Amerikaanse kapitaalmarkten zijn dieper dan de Europese. Amerikaanse beurswaarderingen, sterk gedreven door technologie, trekken private vergelijkingswaarderingen omhoog op een manier die Europa niet kan evenaren. De binnenlandse kopersmarkt is ongeëvenaard. De AI-cyclus van de voorbije drie jaar heeft dit alles nog verder uitvergroot.

Dit is geen tijdelijk fenomeen. Het is een structureel kenmerk van het Amerikaanse financiële systeem. McKinsey’s 2026 Global Private Markets Report documenteert de kloof rechtstreeks: het verschil in instapmultiples tussen Noord-Amerikaanse en Europese private-equitydeals groeide van één EBITDA-turn in 2024 naar twee turns in 2025. Hetzelfde rapport merkt op dat verschillende Amerikaanse sponsors deze kloof nu expliciet zien als een investeringsopportuniteit: ze kopen kwalitatieve Europese activa tegen lagere multiples om die vervolgens te herpositioneren richting Amerikaanse waarderingen.

Dat tweede punt is cruciaal. Dat de Amerikaanse premie structureel is, betekent niet dat ze statisch blijft. En dat de Europese discount hardnekkig is, betekent niet dat ze permanent zal zijn.

Europa’s onderprestatie is goed gedocumenteerd

Mario Draghi’s rapport uit 2024 over de Europese concurrentiekracht stelde de diagnose uitzonderlijk helder. Europese huishoudens sparen in absolute termen meer dan Amerikaanse huishoudens: 1.390 miljard euro tegenover 840 miljard euro in 2022. Toch bezitten Europese huishoudens aanzienlijk minder vermogen, omdat hun spaargeld vooral op bankrekeningen blijft staan in plaats van naar kapitaalmarkten te vloeien.

De structurele cijfers versterken dit beeld. Pensioenactiva bedragen slechts 32% van het BBP in de EU, tegenover 142% in de Verenigde Staten. Securitisatie-uitgiftes vertegenwoordigen amper 0,3% van het EU-BBP, tegenover 4% in Amerika. Volgens schattingen van het IMF haalt de Europese venturecapitalmarkt ongeveer één zevende op van wat haar Amerikaanse tegenhanger aantrekt. Langetermijnkapitaal stroomt simpelweg niet op de nodige schaal naar Europese markten.

De investeringsbehoefte die Draghi becijferde, is enorm: jaarlijks 750 tot 800 miljard euro extra investeringen — ongeveer 4,5% van het EU-BBP — en dat structureel. Ter vergelijking: het Marshallplan bedroeg destijds slechts 1 à 2% van het BBP van de ontvangende landen.

Zijn aanbevelingen waren concreet:

Europese spaargelden naar kapitaalmarkten leiden via tweede-pijlerpensioenen.

ESMA omvormen tot één gemeenschappelijke toezichthouder.

Insolventie- en belastingregels harmoniseren.

De securitisatiemarkt nieuw leven inblazen zodat banken balanscapaciteit kunnen recycleren.

Gemeenschappelijke veilige activa (“safe assets”) uitgeven voor de hele Unie.

Niets hiervan is echt nieuw. De Capital Markets Union geldt al bijna tien jaar als Europese prioriteit. Diagnose en oplossing liggen sinds 2015 op tafel. Wat ontbrak, was een katalysator om woorden om te zetten in actie.

De katalysator is geopolitiek, niet technocratisch

De Amerikaanse regering die in januari 2025 aantrad, heeft in haar eerste achttien maanden getest wat Europese soevereiniteit werkelijk betekent. Importtarieven op Europese goederen. Openlijke twijfel over NAVO-verplichtingen. Dreigementen rond Groenland. Vijandigheid tegenover Europese technologieregulering. Het gebruik van Amerikaanse digitale infrastructuur als geopolitiek instrument.

Elk van die elementen afzonderlijk is herkenbaar binnen transactionele Amerikaanse geopolitiek. Maar samen hebben ze iets fundamenteel veranderd: ze hebben een einde gemaakt aan de stille veronderstelling in Europese bestuurskamers dat de trans-Atlantische relatie een stabiel gegeven was.

Amerikaans beleid heeft in achttien maanden bereikt wat tien jaar Europese rapporten niet konden: Europese soevereiniteit werd een operationele prioriteit in plaats van een retorisch concept.

Waarom soevereiniteit plots een private-equityverhaal wordt

Dit wordt een private-equityverhaal omdat Europa extreem afhankelijk is. Amerikaanse hyperscalers controleren ongeveer 70% van de Europese cloudmarkt. De twee grootste Europese spelers halen elk amper 2%. Volgens het Europees Parlement bedraagt de afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers meer dan 80% voor digitale producten, diensten, infrastructuur en intellectuele eigendom.

Ook juridisch wordt die afhankelijkheid problematisch. Onder de Digital Operational Resilience Act (DORA), van kracht sinds 2025, kunnen Europese toezichthouders Amerikaanse hyperscalers classificeren als kritieke infrastructuur. Tegelijk laat de Amerikaanse CLOUD Act Amerikaanse autoriteiten toe data op te vragen bij Amerikaanse technologiebedrijven, ongeacht waar die data fysiek opgeslagen staat.

Europese banken herbekijken daarom hun afhankelijkheden. Europese bedrijven doen hetzelfde. Overheden schrijven soevereiniteitscriteria in aanbestedingen.

Voor de Europese mid-market vertaalt zich dat in een nieuwe investeringsvraag:

soevereine technologische infrastructuur,

dual-use defensietechnologie,

cybercapaciteiten,

Europese alternatieven voor Amerikaanse diensten.

Drie jaar geleden bestond die vraag nauwelijks. Vandaag ontstaat ze in realtime, gedreven door geopolitiek.

De Savings and Investments Union begint eindelijk resultaten op te leveren

De Capital Markets Union, herdoopt tot Savings and Investments Union in maart 2025, begint voor het eerst concrete instrumenten op te leveren in plaats van louter beleidsverklaringen.

Belangrijke stappen:

Oktober 2025: versoepeling van Solvency II-regels voor verzekeraars die in aandelen investeren.

December 2025: akkoord over vereenvoudiging van securitisatie.

Diezelfde maand: pakket rond marktintegratie en toezicht.

Geen van die maatregelen is op zichzelf revolutionair. Maar samen vormen ze de eerste echte vooruitgang op Europese kapitaalmarktintegratie in tien jaar.

Toch mag de vooruitgang niet overschat worden. Deutsche Bank Research stelde in september 2025 vast dat slechts ongeveer 11% van Draghi’s 885 aanbevelingen effectief geïmplementeerd was. Van de 18 belangrijkste hervormingen werden er 16 als “incrementeel” beoordeeld.

De eerlijke conclusie is dus niet dat Brussel het probleem opgelost heeft, maar dat de urgentie structureel hoger ligt dan ooit.

Christine Lagarde benadrukte in toespraken in Oslo en later tegenover de Financial Times hetzelfde punt: de Capital Markets Union is de ontbrekende schakel voor Europese competitiviteit. Monetair beleid alleen kan het probleem niet oplossen.

Politieke fragmentatie blijft het grootste risico

De krachten richting integratie zijn reëel, maar de tegenkrachten evenzeer. Veel lidstaten die officieel de Savings and Investments Union steunen, worden tegelijk bestuurd door partijen die net nationale uitzonderingen en weerstand tegen harmonisering verdedigen.

Dat patroon is zichtbaar in staatssteun. Onder het Temporary Crisis and Transition Framework ontving Duitsland alleen al meer dan de helft van alle uitzonderlijke staatssteun sinds 2022: 356 miljard euro op een totaal van 672 miljard.

Brussel kan regelgeving aannemen, maar de echte test ligt in de nationale implementatie.

De Amerikaanse druk op Europese autonomie kan twee reacties uitlokken:

een integratiereactie (waar investeerders vandaag op rekenen),

of een nationalistische reactie die hervormingen afzwakt.

Waarschijnlijk zal Europa beide tegelijk produceren.

De Amerikaanse cyclus normaliseert

Terwijl Europa zich langzaam reorganiseert, verandert ook de Amerikaanse private-equitycyclus. De omstandigheden die Amerikaanse PE-rendementen jarenlang opdreven — dalende rente, multiple expansion, overvloedige leverage — lijken voorbij.

McKinsey stelt het duidelijk: private equity is nu een mature sector, en alpha ontstaat niet langer vanzelf uit marktdynamiek. Bain formuleert het scherper: “12 is the new 5” — deals vereisen vandaag operationele EBITDA-groei die vroeger via multiple expansion gerealiseerd werd.

Topquartiel buyout-rendementen bedroegen in 2025 gemiddeld slechts 8%, minder dan de helft van publieke aandelenindices.

De Amerikaanse markt blijft de grootste en aantrekkelijkste ter wereld, maar ze beweegt opnieuw richting historisch gemiddelde rendementen.

Wat betekent dit voor allocators?

De convergentiethese vereist niet dat Europa de VS inhaalt. Ze vereist enkel dat de kloof kleiner wordt — en die compressie lijkt nu aan beide kanten bezig. De Amerikaanse markt normaliseert.

Europa wordt langzaam “ontgrendeld” via regulering, defensie-investeringen en soevereiniteitsgedreven kapitaalstromen.

Samen maken die factoren de Europese mid-market mogelijk tot de zuiverste uitdrukking van deze convergentietrend:

minder competitief dan Amerikaanse large cap,

minder blootgesteld aan herfinancieringsdruk,

rijk aan operationele arbitrage.

Het argument voor Europese private equity is dus niet dat “dit keer alles anders is”. Het argument is dat de kloof mogelijk verkeerd geprijsd is, en dat de krachten die ze verkleinen vandaag sterker worden.

Europa zal Amerika waarschijnlijk niet vervangen als centrum van private equity. Maar het continent lijkt wel degelijk terrein te beginnen winnen — sneller dan markten momenteel inschatten.

Voor langetermijnallocators met een horizon van vijf jaar is dat een vraag die serieus genomen moet worden. De echte vraag is niet langer óf Europa een plaats verdient naast de VS in een private-equityallocatie, maar hoeveel, in welke strategieën, en onder welke aannames over welk Europa uiteindelijk zal domineren.