Christopher Dembik, Senior Investment Strategy Adviser Pictet Asset Management
Om tijdens dit eerste halfjaar winst te maken op de aandelenmarkt, hoefden beleggers alleen maar de kapitaalstromen te volgen. Die bewogen in de richting van de Verenigde Staten (zowel technologische largecaps als small- en midcaps), opkomende landen in Azië (Zuid-Korea en Taiwan), Japan, Latijns-Amerika en, in mindere mate, Europa. Omgekeerd hield de massale kapitaaluitstroom uit India aan, terwijl Afrika het favoriete speelterrein bleef voor een handvol gespecialiseerde beleggers.
Maar de situatie is aan het veranderen. Door de problemen op de Zuid-Koreaanse aandelenmarkt, die versterkt worden door het buitensporige gebruik van hefboomwerking, richten beleggers zich weer op fundamentele factoren. De kwaliteit van de bedrijven en hun winstgroeivooruitzichten en waarderingsniveaus staan weer centraal. In principe is dit een vrij gezonde ontwikkeling, die helemaal niets afdoet aan de structurele trends zoals de sterke vraag naar halfgeleiders, de opkomst van kunstmatige intelligentie en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen. Maar het is wel een ontwikkeling die vraagt om een meer selectieve benadering, wat voor beleggers waarschijnlijk een reden is om nieuwe beslissingen uit te stellen tot na de zomer.
Eén ding is zeker: sommige strategieën dreigen nog steeds in de rode cijfers te belanden. Dat geldt onder andere voor India en Indonesië. De Indonesische aandelenmarkt had de aandacht getrokken van Europese beleggers die op zoek waren naar nieuwe kansen, maar is sinds het begin van het jaar met 35% gedaald en levert daarmee een van de slechtste prestaties van de grote aandelenmarkten wereldwijd. Net als in India gaat deze terugval gepaard met een scherpe daling van de lokale munt. De Indonesische roepia verloor 9% ten opzichte van de dollar en 4% ten opzichte van de euro. Voor Europese beleggers betekent dit een verlies van ongeveer 39%, uitgedrukt in euro, zonder rekening te houden met eventuele commissies en dividenden. Dat is aanzienlijk.
Hoe kunnen die slechte prestaties worden verklaard? De oorzaken zijn inmiddels bekend: toegenomen staatsinterventie, onzekerheid over het economisch beleid, vraagtekens bij de markttransparantie en het bestuur van bepaalde bedrijven, uitstroom van buitenlands kapitaal, enz.
Nog iets om de rest van de zomer in gedachten te houden: het thema 'marktconcentratie', dat de laatste jaren regelmatig opduikt, zal naar verwachting een belangrijke rol blijven spelen. Het is inmiddels een wijdverbreid fenomeen geworden. Neem bijvoorbeeld de Topix 500, waarin de 500 grootste en meest liquide bedrijven van de beurs van Tokio zijn opgenomen. De meest verhandelde effecten vertegenwoordigen nu meer dan 70% van het totale transactievolume, een niveau dat we sinds 2000 niet meer hebben gezien. Op dit moment verwachten we geen ommekeer in deze trend. Natuurlijk kunnen we ons daar zorgen over maken, maar uiteindelijk is het gewoon een nieuwe realiteit waar we mee moeten leren leven*.
Om in de gaten te houden
Alle ogen zijn deze week gericht op de Fed. De daling van de consumentenprijsindex (CPI) in juni is een bemoedigende ontwikkeling. Op het eerste gezicht ondersteunt dit de hypothese dat de rente ongewijzigd blijft. Maar pas op: onder de oppervlakte is de inflatiedruk nog lang niet onder controle. Er zijn nog steeds veel CPI-componenten met een inflatie van meer dan 5%. Met andere woorden: de strijd tegen de inflatie is nog lang niet voorbij.
Dat was precies de boodschap van Kevin Warsh tijdens zijn hoorzitting voor het Congres. Hij waarschuwde dat we niet te vroeg victorie moeten kraaien: “Sommigen denken misschien op grond van de inflatiecijfers dat het doel is bereikt. Maar ik zie dat anders. »
Dit betekent echter niet dat de Fed op korte termijn de rente opnieuw gaat verhogen. Op basis van de ontwikkelingen op de geldmarkt na het laatste inflatierapport wordt de kans op een renteverhoging deze week ingeschat op 4%. Na deze pauze, die naar verwachting nog wel even zal duren, zou de rente weer kunnen worden verhoogd als er na de zomer onvoldoende signalen zijn die wijzen op een duurzame daling van de inflatie.
Spanje ook winnaar op economisch gebied?
Op 19 juli werd Spanje voor de tweede keer wereldkampioen voetbal bij de mannen door Argentinië te verslaan. Deze overwinning is niet alleen een sportieve prestatie, maar zou ook economische voordelen kunnen opleveren, ook al was Spanje niet het organiserende land.
Volgens het onderzoek van Marco Mello, A Kick for the GDP: The Effect of Winning the FIFA World Cup, gepubliceerd in het Oxford Bulletin of Economics and Statistics in 2024, resulteert een overwinning op het WK in een jaarlijkse verhoging van de reële bbp-groei van minstens 0,48 procentpunt in elk van de volgende twee kwartalen. Een andere conclusie van het onderzoek is dat een overwinning een groter effect heeft dan de organisatie van de competitie, vooral dankzij een toename van de export en de groei van het toerisme.
Voor Spanje zou dit theoretisch kunnen resulteren in een extra stijging van de bedrijvigheid van ongeveer 4 miljard euro over twee kwartalen.
*Cijfers: Boursorama, Bloomberg per 21 juli.