Enguerrand Artaz, strateeg, LFDE.
Hoewel we dit niet hadden verwacht, werd 2025 op de markten het langverwachte jaar van Europa. 2026 leek veelbelovend: het waarderingsverschil met de Verenigde Staten bleef aanzienlijk, de kapitaalstromen kwamen weer op gang, de Duitse stimuleringsplannen beloofden een heropleving van de economie en de desinflatie zette zich voort. Men kon zelfs hopen dat de aanbevelingen uit het rapport-Draghi uiteindelijk zouden leiden tot concrete vooruitgang op het gebied van concurrentievermogen, of zelfs dat de oorlog in Oekraïne eindelijk zou worden beëindigd.
Bijna drie kwartalen later lijkt de werkelijkheid in niets op dit idyllische beeld. De oorlog in Iran heeft de desinflatie afgeremd, geleid tot een stijging – op zijn minst – van de ECB-rente en de verregaande energieafhankelijkheid van Europa nog eens onderstreept. En de kapitaalstromen die weer naar Europese aandelen begonnen te vloeien, zijn opgedroogd. De Duitse stimuleringsplannen stellen voorlopig teleur, zowel wat betreft het tempo van de uitvoering als het versnellende effect op de groei van het continent. De voortdurende vooruitgang op het gebied van AI is telkens weer een gelegenheid om de Europese technologische achterstand vast te stellen. Wat betreft de vereenvoudiging van de bureaucratie en de regelgeving: het blijft grotendeels bij vrome wensen.
Toch presteren de Europese markten, ondanks al deze tegenwind, sinds het begin van het jaar even goed als hun Amerikaanse tegenhangers: +13,5% voor de EuroStoxx 50 tegenover +14,3% voor de S&P 500 [1]. Sterker nog: de afgelopen weken is er sprake geweest van een duidelijke verbetering van de Europese vooruitzichten. De bedrijfsresultaten over het tweede kwartaal overtroffen ruimschoots de verwachtingen, met een stijging van 11% ten opzichte van vorig jaar, en van 23% als de energiesector – gestimuleerd door de stijgende olieprijzen – wordt meegerekend. De opwaartse bijstellingen van de doelstellingen waren de sterkste sinds eind 2022, wat leidde tot hernieuwd optimisme bij analisten. De macro-economische verrassingen, die in het voorjaar nog somber waren, zijn opmerkelijk verbeterd, hoewel de absolute cijfers nog steeds bescheiden zijn. Als gevolg van dit hernieuwde optimisme trekken de kapitaalstromen weer sterk aan, tot het punt dat ze volgens Goldman Sachs [2] de recordniveaus van 2021 bijna evenaren.
Dit vertaalt zich nog niet in een uitgesproken outperformance van Europa, maar heeft wel al gevolgen onder de oppervlakte, met een duidelijke stijging van kleine en middelgrote aandelen en van procyclische thema’s, waaronder de automobielsector, die er nochtans erg slecht voorstaat. Om te voorkomen dat deze opleving slechts een strovuur is, zal Europa hard moeten strijden tegen zijn grootste vijand: zichzelf. Het (vrijwel) ontbreken van concrete gevolgen van het bemoedigende rapport van Draghi herinnert aan de stilstand waarin de Europese instellingen maar al te vaak vastlopen, op een moment dat de mondiale krachtsverhoudingen razendsnel verschuiven. Het karikaturale dogmatisme van de ECB verscherpt de financiële voorwaarden onnodig, terwijl er van een oververhitting op het Oude Continent geen sprake is. De moeite die de Europese Unie heeft om haar strategische industrieën te beschermen tegen de Chinese en Amerikaanse ambities, getuigt van een zekere naïviteit ten aanzien van de verschuivingen in de mondiale machtsverhoudingen. Het kennelijke onvermogen van de slechte leerlingen van het continent – met Frankrijk voorop – om hervormingen door te voeren, doet het spookbeeld van een nieuwe staatsschuldencrisis opdoemen. Ondanks deze tegenwind en zonder de rugwind van de AI laten Europese bedrijven zien dat ze nog steeds in staat zijn om goed het hoofd te bieden. Waar zouden ze toe in staat zijn als hun ketenen zouden worden weggenomen?
[1] Rendementen met herbelegde dividenden in euro's, per 31 augustus 2026.
[2] Gegevens vermeld in een nota van 11 augustus 2026.